Verhalen van WijZijn

Ik zie kinderen veranderen.

Maria Rozijn over haar maatschappelijk werk voor kinderen

“Als maatschappelijk werker kom ik vooral in het basisonderwijs. Dagelijks reis ik van de ene basisschool naar de andere. Net waar ik nodig ben. In het voortgezet onderwijs zijn we ook werkzaam.

Ik zie kinderen veranderen, lichter worden, blijer

Ik vind het heerlijk om met jonge kinderen te werken. Ze zijn zo onbevangen en flexibel. Nooit zullen ze vragen: ‘Wie ben jij eigenlijk, wat kom je doen?’. Ze laten het gewoon op zich afkomen. De meeste kinderen vinden het fijn om driekwartier lang de volle aandacht te krijgen. En helemaal als ze in de kamer van de directeur mogen zitten, op de grote stoel. Soms is een kind een beetje zenuwachtig. Dan zeg ik: ‘Weet je dat ik het net zo spannend vind als jij? Jij kent mij niet, maar ik ken jou ook niet…’ Dan is het ijs snel gebroken.

Ouders of leerkrachten trekken aan de bel

Meestal is het de omgeving die aan de bel trekt; de leerkracht of de ouders. Ze maken zich zorgen over het kind, bijvoorbeeld omdat het gepest wordt, erg onzeker is of vaak ruzie maakt. Ook echtscheiding kan een rol spelen bij de problemen die kinderen hebben. Voordat ik een kind zie, heb ik een intake met de ouders en de leerkracht om een beeld te krijgen van wat er speelt. Wensen en verwachtingen worden dan uitgesproken. Daarna ga ik met het kind in gesprek. ‘Ik kom speciaal voor jou naar school’, zeg ik dan. ‘Heb je een idee waarvoor ik kom?’ Soms hebben kinderen echt geen idee. ‘Neu’, is dan het antwoord. Dan vraag ik door: ‘Er is iemand die zich zorgen om je maakt, heb je misschien een idee wie dat is?’

Positieve benadering

Ik benader het kind altijd positief. Niet: wat is je probleem? Maar: hoe gaat het met je? Hoe kunnen we jou nog blijer maken? Daar hebben de meeste kinderen wel oren naar. Ik zeg altijd: ‘Jij bent hier de baas; jij bepaalt wat er gebeurt. Alleen moet je wel weten dat ik veel vragen stel, zo nieuwsgierig ben ik wel. Maar jij mag zelf weten of je antwoord geeft.’ De meeste kinderen voelen zich snel op hun gemak en vertellen dan honderduit. Samen gaan we op zoek naar hulpmiddelen, waardoor het kind steviger, blijer of weerbaarder wordt. Ik zeg er altijd bij dat ik geen toverstafje heb. ‘De situatie kan ik niet veranderen, de pestkoppen kan ik niet wegtoveren, maar ik kan jou wel helpen om steviger te worden.’

In vroeg stadium in beeld

Het maatschappelijk werk is heel laagdrempelig. Het kind hoeft nergens naartoe, want de afspraakjes zijn op school. Leerkrachten weten me snel te vinden. Doordat ik zo vroeg in beeld kom, kan ik vaak voorkomen dat problemen te groot worden. Drie tot vijf gesprekken zijn meestal voldoende om een kind weer op weg te helpen. Soms zie ik dat er meer aan de hand is, dat een kind meer hulp nodig heeft. Dan zal ik het kind en de ouders doorverwijzen. Voor een onderzoek of specialistische hulp bijvoorbeeld.

Gesprekken met de ouders

Ik focus niet teveel op de dingen die misgaan. Om te beginnen laat ik kinderen zien hoe sterk ze al zijn. En wat er al goed gaat. Stel, een kind is onzeker en vindt het moeilijk om vrienden te maken. Dan vraag ik: ‘Wanneer ging het wel goed? Hoe was dat dan? Wat deed je toen? En wat kunnen we verzinnen om jou nog sterker te maken?' Soms ligt het probleem niet bij het kind, maar is het nodig om de ouders wat steviger te maken in de opvoeding. Dan heb ik ook gesprekken met de ouders, altijd vanuit een positieve insteek: wat gaat al goed en wat kan nog beter? Als ouders gescheiden zijn, kan ik ze helpen om het ouderschap op een effectieve manier te organiseren.

Jezelf complimenten geven

Kinderen kunnen soms erg vast zitten in hun negatieve gedachten. ‘Ik ben bang dat mijn beste vriendin me niet meer mag.’ Of ‘Ik durf geen spreekbeurt te doen, want iedereen lacht me uit’. Die gedachten geven het kind een zwaar gevoel. Op zo’n moment vraag ik door. ‘Hoe kunnen we ontdekken of die gedachte echt waar is?’ Samen zetten we de negatieve gedachte om in een helpende gedachte. ‘Je bent goed zoals je bent’, is zo’n helpende gedachte. Thuis laat ik het kind kleine oefeningen doen, voor de spiegel of samen met papa en mama. Jezelf een compliment geven tijdens het tandenpoetsen bijvoorbeeld. Dat werkt.

Manieren om hulp te bieden

Het gaat erom dat kinderen zelf ontdekken wat ze kunnen doen om een stapje verder te komen. Ik leer ze om de kracht in zichzelf te voelen. ‘Ga eens staan zoals een struikje in de wind, kijk eens hoe makkelijk ik je omver duw. En nu ben je een dikke boom. Kan ik je nu nog steeds omver duwen?’ In de omgang met jonge kinderen moet je heel creatief zijn. Niet alleen in je woordkeus. Achteroverleunen en zeggen ‘vertel het maar’ dat werkt niet. Kinderen zijn erg visueel ingesteld, ze willen iets zien, ervaren. Ik ben daarom altijd in de weer met spulletjes om de situatie te verhelderen. Bijvoorbeeld een touwtje waarin we een knoop leggen. Dan vraag ik: ‘Hoeveel knopen heb jij in je buik? En hoe kunnen we die knopen wat losser maken?' We spelen een lastige situatie vaak na met poppen, blokken of plastic bekertjes. Dat pikken kinderen heel snel op. Ook heb ik ‘eigenwijsjes’, een serie kaartjes waaruit het kind er telkens een mag trekken. Op zo’n kaartje staat bijvoorbeeld: ‘Ik ben trots op mezelf’. Daarmee nodig ik het kind uit om te vertellen: waar ben jij trots op?

Openheid kinderen is ontroerend

De openheid van kinderen vind ik nog steeds ontroerend. We hebben vaak hele mooie gesprekken en ik zie kinderen veranderen, lichter worden, blijer. Maar er zijn ook momenten waarop ik aan mezelf twijfel: Schiet ik niet tekort? Kan ik wel genoeg voor dit kind betekenen? Soms zou ik dolgraag het verdriet bij een kind willen wegnemen. Wensen dat ik écht een toverstafje had. Ik vind het een groot compliment als een kind dan tegen me zegt: ‘Het is al fijn dat jij speciaal voor mij op school komt. Daar word ik blij van’.” 

Stel uw vraag